Klooster 'Zusters der Christelijke Scholen'
> Beluister fragment: Klooster
We schrijven 1820 wanneer priester Lodewijk Vincent Donche zich, samen met gravin Regina della Faille, inzet voor de oprichting van een ‘werkschool’ voor arme kinderen, waar in de eerste plaats handenarbeid werd verricht en catechismusonderwijs werd gegeven. Hiervoor had de gravin reeds in 1819 een huisje gekocht in het centrum van de gemeente. De schoolmeesteressen Adriana Maria Touwenberger en Maria Petronella Backers, twee vrome jongedames uit Tilburg, leefden er op verdoken wijze als ‘zusters’. Het Hollands bewind verleende immers geen goedkeuring aan onderwijscongregaties. Toch werd in 1828 in Lille – en later ook in ’s Gravenwezel en Kampenhout – nog een schooltje gesticht. Na de onafhankelijkheid van België in 1830 kon de congregatie zich openlijk profileren en volgde al snel de kerkelijke erkenning (1834). Het verstrekken van onderwijs was de voornaamste doelstelling van de congregatie. Deze kreeg de naam ‘Congregatie der Christelijke Schoolen’. Als patroonheilige werden Sint-Jozef Calasanz en Onze-Lieve-Vrouw van de Christelijke Scholen gekozen.

De eerste organieke wet op het lager onderwijs uit 1842 voorzag dat vrije scholen gemeentelijke subsidies konden ontvangen. Hierdoor voltrok zich geleidelijk de overgang van werk- naar leerschool. Het onderwijs dat werd verstrekt ontsnapte echter niet aan het getouwtrek tussen katholieken en liberalen, wat uitmondde in een heuse ‘schoolstrijd’. Gevolg hiervan voor Vorselaar was de oprichting van verschillende nieuwe scholen of ‘bijhuizen’. Rond 1900 ontstond ook de zondagschool (voor volwassenen), de bewaarschool (voor kleine kinderen van buitenshuis werkende ouders) en de leergangen voor huishoudkunde. Vanaf 1870 (tot 1950) kende de congregatie een enorme expansie, waardoor een uitbreiding van het klooster noodzakelijk werd. Vanaf het ontstaan van de congregatie werd regelmatig bijgebouwd, maar in 1903 werd het oude klooster grotendeels afgebroken: alleen de kapel, de refter en de lagere school bleven overeind. In de plaats ervan werd een ruim, nieuw klooster gebouwd met twee verdiepingen en een zoldering en met een zijvleugel voor de klassen van de in 1902 opgerichte normaalschool. Vorselaar kreeg een nieuw gezicht: een solied en sober gebouw dat het Marktplein, en zelfs Vorselaar, domineerde. In 1914 werd de leerplicht van 6 tot 14 jaar opgelegd, zodat de noodzaak gevoeld werd aan beroepsopleidingen. Stilaan ontwikkelden de zusters van Vorselaar zich tot een onderwijskundige autoriteit in België. Het aanbod aan opleidingen werd ook gestaag uitgebreid maar pas in 1944 werd de normaalschool toegankelijk voor leken. In 1949 werd dan het regentaat ingericht.
Vanaf 1950 veranderde ook het kloosterleven: versoepelde regeling van familiebezoek, versobering van het kloosterkleed, grotere openheid voor het wereldlijke gebeuren en meer inspraak in het gevoerde beleid.
Stilaan kreeg de opdracht ook een nieuwe invulling: de missies. In 1968 organiseerden de zusters een eerste missioneringsproject in Venezuela. In 1972 werd gestart met een inlandse normaalschool in Bokoto (Kongo). In 1991 werd dit project door een inlandse congregatie overgenomen. In 1996 werd een bijhuis van de Zusters van Vorselaar gesticht in de Dominicaanse Republiek. Vanaf de jaren ’70 werden de zusters van Vorselaar ook actief in de sociale sector en mengden zij zich in het gemeenschapsleven. Hoewel de vergrijzing van de bevolking zich ook in het klooster laat voelen, bewees de viering van het 175-jarig bestaan van het klooster in 1995 dat deze geschiedenis nog niet ten einde is. In cijfers uitgedrukt vertegenwoordigt de congregatie van de Zusters van de Christelijke Scholen op dit moment 68 kloosters in België en 8 in Latijns-Amerika, 56 basisscholen en 14 secundaire scholen.
De congregatie telt vandaag nog ruim 500 zusters. Het Kardinaal Van Roey-Instituut heeft zowat 2.500 leerlingen en studenten. In totaal volgen er ongeveer 24.000 leerlingen onderwijs in scholen van de congregatie en werken er 3.000 leerkrachten.